De authenticiteitsparadox

Hoofdstuk
Artikelen Colofon
Delen

Het kwetsbare zelf: over authenticiteit als weerbaarheid

Tekst
Jakob Boer

Wat betekent het nu eigenlijk authentiek te zijn? Het wordt vaak begrepen als echt jezelf zijn, gewoon blijven, trouw aan jezelf blijven, enzovoorts. Het heeft iets te maken met gerelateerde begrippen zoals echt, waar, essentieel, natuurlijk, origineel, oprecht, eerlijk, simpel. Is het een nieuwe vorm van zingeving, een hedendaagse religie? Of is het een handige marketingstrategie die inspeelt op een wijdverbreide hang naar individualisering om ons ambachtelijk gebakken lucht te verkopen? Wat kunnen we met een dergelijk omvattend en alleszins diffuus begrip?

Authenticiteit? Zoekt en gij zult vinden (!)

Wellicht kan de literatuur over het onderwerp ons iets wijzer maken. Een vroege wetenschappelijke formulering van Lionel Trilling luidt dat echtheid een congruentie is tussen, enerzijds, wat je zegt en doet en, anderzijds, je werkelijke, innerlijke gevoel (1972: 2). Een latere invloedrijke omschrijving komt van Charles Taylor die authenticiteit omschrijft als een maatschappelijk ethisch ideaal van zelfontplooiing (1991: 15). De sociologen Aupers, Houtman en Roeland bouwen hierop voort, maar maken een cruciaal onderscheid tussen twee varianten van authenticiteit (2010: 4-5). De eerste betekenis is die van het zoeken naar de ware identiteit, zoals onder andere Rousseau dat voorstelde, waarin verondersteld wordt dat de mens allereerst een individu is met een authentieke, ware, natuurlijke kern. Het ideaal van authenticiteit is hier dus een moreel streven naar het ontdekken van je ware zelf, een terugtocht naar de natuur, weg van de corrumperende invloed van de cultuur. De tweede inhoud van authenticiteit is, in navolging van Nietzsche en later de existentialisten, het onafhankelijke scheppen of creëren van jezelf. Het gaat er hierbij om dat je als het ware je eigen culturele, ideologische afkomst (die toevallig is) overstijgt en je eigen stem en stijl weet leren te spreken. Van je leven een kunst maken.

We kunnen hierbij drie zaken opmerken. Allereerst, deze verschillende benadering van authenticiteit delen een belangrijke element: beide gaan uit van een idee van persoonlijke transformatie, er ligt een verlangen aan ten grondslag. Authentiek zijn ben je niet zomaar, je moet het actief zoeken dan wel maken. Dit idee van transformatie is niet nieuw, in alle religies in de geschiedenis is er wel op een of andere manier een ideaal van zelfoverstijging of transcendentie te vinden: een hemels hiernamaals, een hogere levensvorm na reïncarnatie; een zalige staat van niet-zijn. Maar het kenmerkende van zelftransformatie in ons hedendaagse, westerse begrip van authenticiteit is dat het eigen subjectieve gevoel een moreel doel op zichzelf geworden is. Anders gezegd, waar transformatie eerder - in bijvoorbeeld de christelijke traditie - in het doel stond van onderscheid leren maken tussen goed en kwaad en daarnaar leren te leven, daar is het eigen gevoel nu als zodanig van belang. Het verschil is dat wij, zoals Nietzsche stelde, God dood hebben verklaard en onszelf tot goden hebben verheven. We hopen nu in onszelf te vinden wat van waarde is; waarvoor we willen leven en sterven; waarvoor we willen lijden. Als ik uniek ben, en als het belangrijk is dat ik recht doe aan mijzelf, dan betekent dat ten gevolge dat mijn zingeving afhangt van mijn authenticiteit en zelfontplooiing. Ik moet ontdekken wie ik ben, ik moet mijzelf persoonlijk ten volste ontwikkelen. En er is geen autoriteit, geen hogere orde, geen God, geen leider die mij kan vertellen hoe dat moet - maar dat het moet, zoveel is duidelijk. ‘Men mag niet alleen authentiek zijn, met moet het zijn’ (Aupers, Houtman en Roeland 2010: 6). Authenticiteit is, met andere woorden, een ‘culturele imperatief en een sociaal regime’ (Ibid.: 7).

Daarnaast moeten we inzien dat die ene paradox van authenticiteit dus in twee soorten problemen resulteert. In Wat wil je nou? stellen de makers dat ‘het probleem met authenticiteit is dat wanneer je het als persoon nastreeft, je het al per definitie niet meer bent’. Ik zou dit willen herformuleren in twee probleemstellingen. Ten eerste, als het gaat om het ideaal van ontdekken is het probleem: het is onmogelijk jezelf niet te zijn en jezelf vinden is derhalve overbodig. Dit probleem leidt tot vragen als deze: als ik het niet ben die zoekt naar mijzelf, wie is dat dan? En wie is het die ik uiteindelijk hoop te vinden? Mijns inziens ontstaat de paradox hier doordat we uitgaan van een dichotomie, een tegenstelling tussen twee opties die elkaar uitsluiten, namelijk echt en onecht. Het oplossen van de paradox is leren inzien dat er meer mogelijkheden zijn, dat ze ambigu zijn en elkaar kunnen overlappen en aanvullen. Met betrekking tot het tweede ideaal van schepping doet een soortgelijk maar toch enigszins anders probleem zich voor. Ook hier worden twee zaken of begrippenparen tegenover elkaar gesteld en ze worden voorgesteld als onverenigbare tegenpolen. Enerzijds maatschappij, cultuur, erfenis, en ideologie en anderzijds: individu, existentie, en zelfcreatie. De tweede probleemstelling is: het is onmogelijk jezelf autonoom of vrij van welke invloed dan ook te herscheppen. Meerstemmigheid is een feit; in je eigen stem weerklinken altijd ontelbare andere stemmen die tot je komen door de cultuur – opvoeding, onderwijs, kunst, wetenschap, enzovoorts. Het hele idee authentiek te zijn komt in de eerste plaats al niet van jezelf.

En ten derde merken we op, hierbij aansluitend, zoals de eerder genoemde heren Aupers, Houtman en Roeland opmerken, dat ‘authenticiteit zich in uiteenlopende articulaties áltijd positioneert tegenover de moderne sociale orde’ (2010: 4). Keer op keer is het niet zomaar dat het individu zichzelf moet transformeren, hij moet dit om zich vrij te maken van de verloederende, dommer-wordende, onvrijer-wordende samenleving. Ook dit is paradoxaal: de moderne maatschappij verordonneert dat wij ons tegen diezelfde maatschappij keren om volledig onszelf te kunnen zijn.

En wat nu? Is de paradox onoplosbaar? Is het echt onmogelijk authentiek te zijn? In de rest van dit essay wend ik mij tot filmkunst om mogelijke antwoorden te formuleren; ik roep de filmmuze aan om mij te inspireren; ik offer mijn woorden tot de filmgoden om mijn gebeden te verhoren. Eerst bespreek ik kort de probleemanalyse zoals die in Wat wil je nou? naar voren komt. Vervolgens beschouw ik ter conclusie een recente speelfilm, Paolo Sorrentino’s La Grande Bellezza (2013), waarin een mogelijke oplossing valt te ontwaren.

Film en de werkelijkheid

De documentaire Wat wil je nou? bestaat ruwweg uit twee lagen of twee filmmodi: een documentaire modus en een verhaalmodus. In de documentaire laag introduceert een verteller ons tot de problematiek die de documentaire behandelt en er komen experts te spreken over de drie hoofdthema’s van de film: maatschappij, zelfverbetering, en techniek. In de verhalende laag van de film worden de implicaties hiervan op een fictieve manier verbeeld. De film volgt twee naamloze hoofdpersonages die beiden in hun dagelijkse leven worstelen met de genoemde aspecten van het probleem van authenticiteit.

Dit lijkt misschien enigszins tegenstrijdig. Hoe kan een film nu fictie en documentaire ineen zijn? Echter, bij nadere beschouwing wordt het duidelijk dat deze scheidslijn niet zo makkelijk te trekken is;dat deze twee filmvormen helemaal niet zo tegengesteld zijn. Het idee dat documentaires objectief de wereld representeren is wat dat betreft ouderwets en ook onhoudbaar. In veel documentaires zijn fictionele elementen aanwezig. Soms zijn ze overduidelijk, dan weer zijn ze voor het blote, ongetrainde oog niet als zodanig te herkennen. We kunnen denken aan het opzettelijk ensceneren van gebeurtenissen voor de camera. Dit is soms simpelweg noodzakelijk, omdat het voorkomt dat het onmogelijk is met de camera op de juiste plaats op het juiste moment te zijn. Dat het (historische) gebeuren opnieuw opgevoerd is voor de camera betekent nog niet dat het niet daadwerkelijk zo (of dan toch vergelijkbaar) in het echt is gebeurd. Daarnaast zie je de fictie ook vaak terugkomen in de vorm of de ordening van een documentaire. Denk bijvoorbeeld aan de beroemde BBC-documentaires van David Attenborough. Deze documentaires geven geen objectief beeld van de natuur, integendeel: ze maken van de dierenwereld iets dat in al haar heroïek en tragiek toch verdacht veel lijkt op de mensenwereld. Nogmaals, het maakt niet dat het daarom geen documentaire meer mag heten. Kortgezegd, het belangrijkste element van het documentaire genre is de aanname, of impliciete afspraak tussen film (of maker) en het publiek dat de film over de werkelijkheid gaat en derhalve ook naar vermogen recht te doen aan die werkelijkheid – met andere woorden: authentiek te zijn! Interessant genoeg heeft een documentaire daarbij vaak ook nog eens de pretentie om iets aan die werkelijkheid te doen. Is het zo gezien niet heel logisch dat de documentaire aan populariteit wint in onze authenticiteitscultuur?

Wat wil je nou?

Terug naar Wat wil je nou? De twee lagen (documentaire en fictie) zijn beide waardevol en hebben beide een bepaalde functie in de film; ze vullen elkaar op belangrijke manieren goed aan. Beide lagen van de film spreken verschillende menselijke vermogens aan: de documentaire vraagt ons abstract en analyserend op de problematiek te reflecteren, terwijl het narratieve gedeelte ons inlevingsvermogen of onze empathie aanspreekt. De analyses van de problematiek rondom authenticiteit zijn verweven met mijn betoog in het eerste deel van dit essay en ze worden ook al elders op deze website onder de verschillende rubrieken uitvoeriger uiteengezet. Ik zal daarom focussen op het narratieve gedeelte van de film.

1. Maatschappij: de mythe van de eeuwige wederkeer
In het eerste hoofdstuk ‘Maatschappij’ worden de personages geïntroduceerd aan de kijker. In een parallelle montage tussen de levens van de adolescente man- en vrouwfiguur maken we kennis met hen door een inkijkje in hun dagelijkse leven, hun dagindeling, routines en rituelen: douchen, ontbijten, sporten, werken enzovoorts. De film volgt hen gedurende een dag, hoewel het evengoed gedeeltes van dagen in verschillende periodes kunnen zijn die zijn gemonteerd tot een geheel. De film wekt namelijk de indruk dat de personages vast zitten in hun leven, dat ze niet weten hoe ze dienen om te gaan met hun frustraties en onzekerheden. Het begin- en eindshot dragen bij aan dit beeld: de Newtonpendel (ofwel Newtonwieg). Dit is een object dat Newtons derde wet van de fysica, het behoud van energie, demonstreert. Onder het voorbehoud dat er geen wrijving is, zouden de ballen, eenmaal in gang gezet, oneindig met hun beweging moeten doorgaan. Het eindshot is enigszins mysterieus. Er kleeft bloed aan de wieg. Is de implicatie dat als we onze authenticiteitbeweging niet voorzien van een tegenkracht ( immers: actie = reactie) dat ze dan wel eens ernstige gevolgen zou kunnen hebben?

2. Zelfverbetering: complexiteit, gender en stereotype
Het valt op dat de drie thema’s van de film in het verhaal onderling verbonden zijn. In de levens van de beide personages lopen de dimensies in elkaar over, of beïnvloeden ze elkaar wederzijds. In het tweede hoofdstuk ‘Zelfverbetering’ ontdekken we dat het vrouwelijke personage lijdt aan notificatiestress, haar gebruik van techniek beperkt haar in haar leven. Maar dit is weer gerelateerd aan een maatschappelijk fenomeen: altijd bereikbaar moeten zijn, een 24/7 online-cultuur. Het aspect van zelfverbetering is een reactie op deze problemen. Door yoga, therapie en zelfhulp probeert ze zichzelf weerbaarder te maken en beter om te gaan met haar frustraties. De mannelijke hoofdpersoon worstelt met relatieproblemen en deze voeden op hun beurt weer zijn frustratie over de techniek en zijn problematische zelfbeeld. Het aspect van zelfverbetering hangt vervolgens weer samen met het maatschappelijke: het obsessieve sporten lijkt vooral voort te komen uit een streven naar een cultureel bepaald ideaal manbeeld. Zo laat de film zien dat een te simpele, eenzijdige benadering, waarin bijvoorbeeld techniek als bron van alle kwaad wordt voorgesteld, geen recht doet aan de complexiteit van het vraagstuk van authenticiteit. Het mag zo zijn dat bepaalde technologische ontwikkelingen zekere vormen van interactie mogelijk maken, zonder een maatschappelijke wens of bereidheid kan het belang van techniek in de levens van mensen nooit afdoende verklaard worden.

Het gegeven dat de film zowel een man als vrouw opvoert is ook belangrijk, als we nader analyseren hoe ze worden geportretteerd. De problematiek van authenticiteit wordt namelijk als gender-gerelateerd voorgesteld. Anders gezegd: authenticiteit brengt voor beide genders andere normen met zich mee. Het mannelijke authenticiteitsideaal is stereotypisch fysiek krachtig en meer algemeen controlerend en de baas over techniek, terwijl de vrouw dient te streven naar schoonheid en socialiteit. Dit zien we terug in de film: de man is geobsedeerd door zijn lichaam en zijn controle over de techniek, terwijl de problemen van de vrouw haar uiterlijke schoonheid en haar sociale leven betreffen. Ze lijdt aan notificatiestress en lijkt gefascineerd met haar zelf(ie)beeld. Beiden streven dus naar authenticiteit door zichzelf te verbeteren op deze punten: de man sport overmatig terwijl de vrouw neigt naar praatgroepen, yoga en zelfhulpboeken. Wat de beide personages delen is dus een fixatie op het zelf, in zo’n mate dat het voor velen door zal gaan als narcisme. Een psychologisering van het probleem zou dan ook waarschijnlijk stellen dat beide personages kampen met een gebrek aan zelfvertrouwen; beiden hebben een voortdurende sociale bevestiging van hun waarde nodig. En beiden hebben problemen om te gaan met frustratie, met het onverwachtse en oncontroleerbare van de ander, de omgeving, de samenleving. Meer dan eens zien we de personages ook voor de spiegel staan:

 

 

De film maakt naast de gendertegenstelling ook een contrast tussen technologie of cultuur en natuur. Met behulp van een weloverwogen cameravoering en gebruik van mise-en-scene plaatst de film de personages in kaders die hen lijken te verstikken.

 

 

Neem dit beeld van de vrouw in haar kamer: ze lijkt letterlijk opgesloten, ingekaderd te zitten, zoals ze figuurlijk vast zit in haar leven.

3. Techniek: Zelf(ie)liefde
Aan de andere kant toont de film ook hoe de mens in beide werelden tegelijk leeft; de mens is zowel in de wereld als van de wereld. De mens wordt gevormd door deze verdubbeling van zijn bewustzijn. In de film zien we dit duidelijk terug in het gebruik van kaders zoals ramen, spiegels en schermen. De mens kijkt erdoor naar de wereld, maar ziet zich er tegelijk ook in gereflecteerd.

 

 

Het bovenstaande beeld toont deze multiplicatie erg creatief. De man kijkt naar een beeldscherm waarop een kunstmatige emulatie van de natuur te zien is, terwijl op de achtergrond een warm zonlicht uit de ‘echte’ wereld de kamer binnenvalt. Cultuur en natuur vallen niet samen met het onderscheid echt en onecht; ze lopen onscheidbaar in elkaar over, ze vormen grond en figuur van de menselijke waarneming en kunnen zodoende niet zonder elkaar bestaan.

Ook het onderstaande shot verbeeldt deze verdubbeling krachtig: niet alleen observeert de vrouw zichzelf in de spiegel, ze ziet zich ook nog eens gemedieerd door het scherm van haar smartphone.

 

 

De film kaart de relatie tussen techniek en het authenticiteitsprobleem op nog een ander manier aan: het toont hoe de personages niet meer de baas zijn over de techniek. Ook hier maakt de film gebruik van filmische, verhalende middelen. De vrouw is letterlijk afhankelijk van de techniek en lijkt hulpeloos verloren als haar navigatiesysteem niet goed functioneert. Maar de scène is wellicht ook metaforisch te duiden: ze is de weg kwijtgeraakt in haar leven. De TomTom roept haar op terug te keren indien mogelijk, een figuurlijke roep uit haar binnenste die haar ingeeft een andere route in haar leven te gaan volgen.

In het derde hoofdstuk ‘Techniek’ zoomt de film in op het fenomeen van sociale media. De film maakt duidelijk dat de mens een sociaal wezen is; hij beschouwt en reflecteert zichzelf via de ander. Het maken van selfies is niet een narcistische aangelegenheid, het is bij uitstek een manier van de mens om deel uit te maken van de sociale groep. In het fragment van de film waar het onderstaande shot deel van is zien we de vrouw uiterst geposeerd een selfie maken. Ondanks dat ze overduidelijk niet lekker in haar vel zit, presenteert ze zichzelf aan de buitenwereld juist als tevreden en gelukkig. Hierin zien we duidelijk de authenticiteitsparadox weer terugkomen: juist om ons deel te voelen van een groep presenteren we ons op een manier waarvan we denken dat ze ons het meest gunstig voorstelt. Met andere woorden: we maken ons tot iets onechts met als doel echt te lijken.

 

 

Maar ook hier is de paradox niet meer dan dat: een schijntegenstelling die in stand wordt gehouden door een problematische oppositie van echt en onecht; van ons voelen en uiten. Waarom zou ons verlangen ons deel te voelen van een groter verband, ons geliefd en gewild te voelen, minder echt zijn dan onze persoonlijke intieme gevoelens en kwetsbaarheden? Er is niets fundamenteel inauthentiek aan een persoonlijkheid die bestaat uit meerdere facetten. In tegenstelling: iemand die compleet met zichzelf samenvalt, die is juist onecht: hij laat zich leiden door een totalitair ideaal, een onwrikbaar en onveranderlijk zelfbeeld – een ondraaglijke zwaarheid van het bestaan.

How I learned to stop worrying and love the paradox

Met deze gedachte bouw ik voort op het werk van de Amerikaanse socioloog Erving Goffman en de filosofe Judith Butler. Zij stellen - en de gehele symbolisch interactionistische sociologie met hen - dat de werkelijkheid een sociale constructie is. Maar het is van cruciaal belang deze uitspraak niet verkeerd te interpreteren. Het betekent kortweg dat onze identiteit geen gegeven is, maar dat we die zelf maken en wel door ons samenleven met de ander. Goffman stelt dat we in ons dagelijks leven verschillende rollen spelen en daarbij de bijbehorende maskers opzetten, in vergelijking met het theater. Dit maakt voor hen de werkelijkheid niet minder echt, in tegenstelling: juist door het spelen vormen we wie we zijn. Er is geen echt of authentiek Ik dat achter het masker schuilgaat of zich verbergt (daar houdt de bruikbaarheid van de theatermetafoor dus al op). Het spel, de symbolische interactie tussen mensen heeft een werkelijkheidseffect. Butler gebruikt daarom het begrip performativiteit, het idee dat normen worden ondersteund door praktijken. Butler schrijft specifiek over gendernormen en -performativiteit, maar meer algemeen kunnen we stellen dat in het herhalen of delen van zulke normen en praktijken in ons sociale leven onze identiteit tot leven komt. Het leven is een truc, zodra je hem probeert te ontmaskeren of onttoveren, verdwijnt zijn magie. De vraag of een truc echt is, is compleet irrelevant. We weten dat het een truc is en juist daarom waarderen we het.

Dit brengt mij bij de film La Grande Bellezza. De film volgt Jep Gambardella, een schrijver op leeftijd die na het grote succes van zijn debuutroman nooit meer een boek geschreven heeft. Hij vult zijn dagen met slapen en zijn nachten met van drugs en alcohol doordrenkte feesten, dansend, altijd in het gezelschap van dames. Hij schrijft niet meer omdat hij dat niet kan; omdat hij niet meer weet waarover te schrijven; omdat hij niet de schrijver is die het grote niets kan verwoorden zoals Flaubert dat nastreefde. Hij kan de schoonheid van de werkelijkheid onder de smerige laag van sociale drek, zoals hij die ervaart in zijn leven als koning van de nachtelijke Italiaanse beau monde, niet meer bovenhalen. Hij streeft dus naar schoonheid, maar ik zou willen stellen dat hij op zijn manier ook zoekt naar een vorm van authenticiteit, namelijk een authentieke beleving of ervaring.

Velen zien de film als een kritische beschouwing op de oppervlakkigheid en decadentie van de Italiaanse elite – in navolging van Federico Fellini’s film La Dolce Vita (1960). Ik denk dat dit niet per se onjuist is, maar wat mij betreft is het wel een te beperkt kader om La Grande Bellezza volledig op waarde te kunnen schatten. Wat de film vooral poëtisch en universeel verbeeldt is dat het zoeken naar het hogere, het ideale, het authentieke een futiele zoektocht is, als het zoeken naar een punt net achter de horizon; als iets dat buiten ons en de werkelijkheid staat; als iets dat meer essentieel is dan de zogenaamde alledaagse realiteit. De dans, de liefde, begrafenisceremonieën, kleding, alles is geritualiseerd, dat wil zeggen in vormen gegoten. Dat betekent niet dat het maar spielerei is. Het ritueel maakt nou juist een intermenselijke beleving mogelijk, zoals ik hierboven als schreef toen ik aan Goffman en Butler refereerde. La Grande Bellezza is een verhalende, filmische verbeelding van deze abstracte filosofische ideeën. Buiten de cultuur, achter de façade van sociale constructie is geen betekenis mogelijk. Moeten we daarom het streven naar authenticiteit opgeven? Dat stellen is in dezelfde dichotomie van echt/onecht vervallen. Dat zou hetzelfde zijn als onze cultuur te betichten van het leven in een vals bewustzijn. Nee, dit morele ideaal van authenticiteit is een manier om ons leven in te richten. In het streven zelf, in de ervaring van het nu, in het verlangen, daarin huist authenticiteit.

De schoonheid en het geluk zijn ongrijpbaar, ze glippen Jep telkens uit handen. Hij leert inzien dat het schoonheidsideaal dat hij nastreefde niets meer was dan dat: een ideaal, een verlokkende luchtspiegeling. Hij is nostalgisch, hij leeft in een verleden dat hij in zijn leven steeds verder is gaan idealiseren. Hij is daardoor niet meer in staat wat hij noemt de 'luttele sprankjes schoonheid' te koesteren. Dit is de opdracht van de film die ik graag onderschrijf: leer aandacht te hebben voor deze momenten waarvan je het geluk hebt ze in je leven te mogen meemaken: een eerste keer, een magistraal boek, een fantastische zonsopgang na een feest dat geen einde leek te kennen, een architectonisch wonder... En de film La Grande Bellezza. Leer om je vertwijfeling over je eigen authenticiteit te boven te komen. Leer om je eigen kwetsbaarheid toe te geven.

Ik en de wereld

(Voor)oordelen over de ander is te makkelijk, het is altijd de Ander die niet authentiek is. Maar in dit oordeel ligt vooral een verhulling van het eigen onbegrip en de eigen onzekerheid. Jep wijst zijn vriendin krachtig maar met affectie terecht, wanneer zij meent dat Jep en zijn vrienden niet waarachtig zijn, dat ze lui zijn en niets hebben weten te bereiken, met de nu al legendarische formulering: ‘we're all on the brink of despair, all we can do is look each other in the face, keep each other company, joke a little... Don't you agree?’ Met andere woorden: later we elkaar met affectie beschouwen, ons empathisch vermogen aanwenden om de ander beter te leren begrijpen. Tot slot wil ik La Grande Bellezza op dit punt verbinden met Wat wil je nou? en mijn betoog in een bredere context plaatsen. Ik schreef eerder al dat de problemen van de personages van  Wat wil je nou? te maken hebben met gebrek aan zelfvertrouwen en een verlangen naar sociale bevestiging. Hierin zie ik de parallel met de thematiek van La Grande Bellezza. Misschien kunnen we de karakters van de films voorstellen als onszelf, of als verpersoonlijking van onze tijdsgeest wellicht. We streven naar authenticiteit juist wanneer we onzeker zijn; wanneer we het gevoel hebben de controle te zijn kwijtgeraakt; wanneer we menen dat bepaalde waarden onder druk staan. Dat is volstrekt begrijpelijk en zeer menselijk (al te menselijk). Maar misschien moeten we inzien dat het ideaal van authenticiteit eerder nostalgische en regressief is dan dat het ons echt helpt om te gaan met de werkelijkheid, die inderdaad complex is en soms overweldigt en onze capaciteiten uitdaagt. Het idee dat dè techniek, hèt systeem, dè overheid, en dè ander niet authentiek zijn, levert ons slechts een schijn van begrip, omdat we in ieder geval iets kunnen benoemen, in een hokje plaatsen. Het gevoel van controle, overzichtelijkheid en veiligheid dat we verkrijgen door zo de wereld te over-simplificeren en krampachtig vast te houden aan duidelijke tegenstellingen is illusoir – en gevaarlijk ook, want altijd zal je zien dat we daardoor de Ander als vreemd, on-eigen en ongewenst gaan beschouwen. Er is dus ook sprake van ‘processen van authenticering’ (Aupers, Houtman en Roeland 2010: 7). Met andere woorden, mensen en dingen worden authentiek gemaakt. Wie/wat authentiek is en wie/wat niet, is in feite een machtsstrijd; een proces van in- en uitsluiting.

Juist in deze tijd waarin we bijvoorbeeld geconfronteerd worden met de vluchtelingproblematiek moeten we meer menselijk durven zijn. Juist in deze tijd moeten we inzien dat holle populistisch-nationalistische retoriek die vooral in tegenstellingen denkt (allochtoon/autochtoon, asielzoeker/gelukszoeker, de echte Nederlandse waarden/fundamentalistisch barbarisme) polarisatie en onderlinge verdeeldheid in de hand werkt. De geschiedenis toont ons dat dit soort denken desastreuze gevolgen kan hebben – hopelijk hebben we hier daadwerkelijk van geleerd. Ik wil daarom graag afsluiten met een overdenking van de Engelse dichter David Whyte. Hij stelt dat eerlijkheid (en ik zou zeggen authenticiteit als levenshouding) niet het vinden van de waarheid is, maar het erkennen van de eigen kwetsbaarheid:

Honesty is not the revealing of some foundational truth that gives over life or another or even the self, but a robust incarnation into the unknown unfolding vulnerability of existence, where we acknowledge how powerless we feel, how little we actually know, how afraid we are of not knowing and how astonished we are by the generous measure of loss that is conferred upon even the most average life.

Honesty is grounded […]in admitting where we are powerless. […] Honesty allows us to live with not knowing (2015: 118).

LiteratuurAupers, Stef, Dick Houtman en Johan Roeland. 'Authenticiteit: De culturele obsessie met echt en onecht'. Sociologie 6.2 (2010): 3-10. Taylor, Charles. The Ethics of Authenticity (1991). Trilling, Lionel. Sincerity and Authenticity (1972). Whyte, David. Consolations: The Solace, Nourishment and Underlying Meaning of Everyday Words. (2015).

 

Hoofdstuk 3 Techniek
Beschouwing Het kwetsbare zelf: over authenticiteit als weerbaarheid

Wat betekent het nu eigenlijk authentiek te zijn? Het wordt vaak begrepen als echt jezelf zijn, gewoon blijven, trouw aan jezelf blijven, enzovoorts. Het heeft iets te maken met gerelateerde begrippen zoals echt, waar, essentieel, natuurlijk, origineel, oprecht, eerlijk, simpel. Is het een nieuwe vorm van zingeving, een hedendaagse religie? Of is het een handige marketingstrategie die inspeelt op een wijdverbreide hang naar individualisering om ons ambachtelijk gebakken lucht te verkopen? Wat kunnen we met een dergelijk omvattend en alleszins diffuus begrip?

Bekijk Beschouwing
Essay Authenticiteit en techniek

De houding ten opzichte van techniek is de afgelopen jaren sterk veranderd. Niet alleen zijn sociale media zoals Facebook en Twitter ongekend populair, ook op het gebied van de wetenschap zien we steeds verdere technologische ontwikkelingen. Techniek is op die manier niet alleen een verlengstuk van ons lichaam geworden maar begint er ook een integraal onderdeel van uit te maken. Dit heeft onherroepelijk consequenties voor de manier waarop wij onszelf beschouwen maar ook op de manier waarop wij ons leven inrichten.

Lees essay
Volgend hoofdstuk
Zelfverbetering



Alle essays en artikelen
Bekijk
Inhoudsoverzicht

Bekijk
Volgend artikel

Sprookjesbos
Delen op

Facebook
Twitter