De authenticiteitsparadox

Hoofdstuk
Artikelen Colofon
Delen

Authenticiteit en spiritualiteit

Tekst Illustratie
Tjalle Hijlkema Anne Staal

‘God is dood en wij hebben hem vermoord’, met dit citaat schreef de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche in de 19e eeuw geschiedenis. De dood van God betekent voor Nietzsche dat wij niet meer kunnen terugvallen op de christelijke normen en waarden die daarvoor de leidraad vormden, maar dat we op zoek moeten naar een moraal die niet meer gebaseerd is op de grondbeginselen van het christendom. De heersende gedachten over goed en kwaad en waarheid kwamen daarmee op losse schroeven te staan. Het citaat betekent in die zin meer een zoektocht naar een nieuwe fundering omtrent de morele waarden dan dat het iets concreets zegt over het bestaan van God.

Ook vandaag de dag zien we dat de kerk een steeds minder grote rol speelt in onze samenleving. Secularisatie en ontkerkelijking hebben ervoor gezorgd dat mensen op zoek gaan naar andere manieren om invulling te geven aan hun geloof en aan hun leven. Omdat mensen hierdoor hun leven niet meer in dienst stellen van een externe entiteit en hun leven niet meer laten leiden door voorgeschreven regels heeft dit ook gevolgen voor de manier waarop wij onszelf beschouwen.

In dit essay zal ik aan de hand van twee denkers: Soren Kierkegaard en Gianni Vattimo onderzoeken welke gevolgen dit met zich meebrengt en in hoeverre het authentieke, zelf vormgegeven leven, hiermee een andere invulling krijgt. Kortom; hoe geven wij invulling aan een leven zonder God.

Søren Kierkegaard

In het verlengde van de uitspraak van Nietzsche die God dood verklaarde ligt het gedachtegoed van de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Gelijk aan Nietzsche zocht Kierkegaard naar een manier van leven, echter tegengesteld aan Nietzsche deed Kierkegaard dit in een wereld waarin God wel degelijk bestond. Volgens Kierkegaard kan een persoon zichzelf alleen ontwikkelen op basis van het christelijke geloof, maar zonder dit geloof op te hangen aan de dogma’s van de kerk. Een radicaal andere geloofsopvatting dan tot die tijd geldig was. Want door de dogma’s van de kerk te volgen volgde je de meute, de grote meerderheid. Geloven is dan ook niet het klakkeloos overnemen van christelijke dogma’s maar eerder een kwestie van individuele subjectieve passie voor het geloof. Het individu heeft dan ook een enorme verantwoordelijkheid te dragen met betrekking tot de keuzes die hij in zijn leven maakt omdat de verantwoordelijkheid volledig bij het individu komt te liggen en niet meer kan worden afgeschoven op kerkelijke dogma’s.

De ethische mens realiseert volgens Kierkegaard authenticiteit door de keuzes die hij moet maken.

‘Het zelf dat zo ontstaat, de identiteit, is het resultaat van een individu dat voortdurend met zichzelf in gesprek is, van een individu dat van zichzelf bewust is; het denkt over zichzelf na en in die activiteit word het gevormd’ (Bakker p. 144).

Dit kan echter alleen wanneer het besef blijft bestaan dat God je geschapen heeft, God is de ethische autoriteit die altijd de rode draad blijft. Kierkegaard heeft dan ook nooit God uit zijn leven verwijderd maar kreeg juist een steeds grotere afkeer van de kerk als instituut die alleen maar schapen creëert die de kudde volgen. Voor Kierkegaard is de persoonlijke relatie met God het belangrijkste.

Waar Nietzsche’s doodverklaring er in de twintigste eeuw voor zorgde dat God, met name in de existentiële traditie, uit beeld verdween, zien we in het postmoderne tijdperk weer een voorzichtige aanzet tot diens terugkeer. Een goed voorbeeld van een denker met en dergelijk gedachtegoed is de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo.

Gianni Vattimo

Vattimo stelt, in de lijn van Nietzsche, dat er geen absolute waarheid meer bestaat. We zijn overgeleverd aan perspectieven en interpretaties. Waarheid is daarmee gebonden aan tijd en ruimte en Vattimo stelt dan ook dat waarheid in feite niets anders behelst dan een continue interpretatie van de werkelijkheid. Hij zet zich daarmee af van het metafysische denken dat verankerd ligt in filosofische, godsdienstige of politieke systemen.

Hiervoor in de plaats stelt Vattimo het zogenaamde zwakke denken. Dit zwakke denken is in feite een ontkenning van het sterke denken dat altijd op zoek is naar een fundament op basis van logica en ratio. Doordat waarheid niets anders is dan een voortdurende interpretatie van de werkelijkheid op dat moment en een fundering niet bestaat, is het sterke denken beperkt. Het zwakke denken wordt in die zin gekenmerkt door een bewustzijn van zijn beperkingen en heeft minder pretenties dan het sterke denken. In dat opzicht is waarheid voor Vattimo niets anders dan een vorm van historisch overdragen, een ‘overgeleverde boodschap’.

Binnen deze context komt er volgens Vattimo weer ruimte voor het christelijk geloof. Immers, als waarheid een vanuit de historie overgeleverde boodschap is, dan kunnen we niet om de bijbel heen omdat dat bij uitstek een belangrijke culturele bron is.

Dit betekent voor Vattimo echter niet dat de teksten die beschreven staan in de Bijbel strikt gevolgd dienen te worden, in tegendeel zelfs. Door Vattimos interpretatieve waarheidsbegrip kan er immers helemaal geen autoriteit meer bestaan die bepaalde dogma’s oplegt. Vattimo denkt daarom dat ook de kerk als autoriteit niet meer volstaat. Er moet veel meer ruimte komen voor een persoonlijke beleving van het geloof. Hij stelt zelfs dat secularisatie inherent verbonden is aan het christelijk geloof.  In zijn gedachten verandert het kerkelijke begrip van ‘waarheid’ in ‘zorg’ en de kerk moet daarbij in eerste instantie een plaats van liefde zijn. De dood van God brengt voor Vattimo dus de mogelijkheid van een hernieuwde religieuze ervaring met zich mee, die losstaat van het gezag van de kerk en, daarmee samenhangend, van de bijbel en meer ruimte moet bieden voor een persoonlijke beleving van het geloof waarbij die vooral leunt op een ethiek van naastenliefde en zorg.

Waar God bij Kierkegaard dus nog duidelijk bestaat en in de hemel huist, verlaat Vattimo dat idee. Echter, heeft het geloof voor zowel Kierkegaard als Vattimo dus uiteindelijk de mogelijkheid van een moreel kompas in zich. Maar daarmee komt bij beide denkers een zware last op de schouders van het individu te liggen. Zingeving kan immers niet meer gezocht worden in absolute waarheden of de waarheid van de kerk maar moet zelf gevonden worden.

Obsessieve zelfontwikkeling

Deze verantwoordelijkheid leidt mijns inziens tot een maatschappij die geobsedeerd is door zelfontwikkeling, enerzijds biedt dit ongekende mogelijkheden, maar anderzijds werpt dit een grote leegte op, juist omdat zingeving niet meer afgeschoven kan worden op een externe entiteit. Binnen deze vrijheid zijn we zowel dader als slachtoffer; dit op-jezelf-gericht-zijn heeft onherroepelijk een dwangmatig karakter (Han, p. 21). ‘De algemene ontmythologisering, het verdwijnen van het grote verhaal in de wereld, versterkt het gevoel van vergankelijkheid’  (Han, p. 29). Door deze radicale vergankelijkheid, het besef dat het bestaan eindig is, lijkt de behoefte te zijn ontstaan om het leven dan in ieder geval gezond te doorstaan. Dit uit zich in een algemene fitnessdrang, waarbij lichamelijke gezondheid belangrijk is, maar nog meer naar een obsessie met geestelijke gezondheid waarbij we wederom afhankelijk raken van externe factoren. Juist omdat we langzaamaan het besef ontwikkelen dat we er alleen voor staan.

Zo zien we de afgelopen jaren een sterke stijging van de verkoop van zelfhulpboeken, die ons op dat gebied handvatten kunnen bieden, maar ook lijken steeds meer mensen de weg naar de psychiater te vinden waarbij we vaak door middel van therapiegroepen houvast bij elkaar zoeken.

Ook is er een opkomst zichtbaar van oosterse religies, zoals het Boeddhisme en Yoga. Religies die, vanuit hun oorsprong, gericht zijn op het individu en door middel van meditatie en introspectie de mogelijkheid tot een gebalanceerd leven in zich dragen om uiteindelijk tot kennis van het bestaan te kunnen komen.

Al met al lijkt het er op dat de mens na de doodverklaring van God op zoek is gegaan naar een eigen invulling, los van het geloof. Voor Kierkegaard lag in die vrijheid juist de mogelijkheid om tot jezelf te komen, alleen schreef hij God nooit helemaal af, alleen de dogma’s waarop het christelijke geloof gebaseerd is. Deze bewustwording is echter een mes dat aan twee kanten snijdt. Aan de ene kant ervaren we hierdoor een ultieme vrijheid, maar deze vrijheid leidt ook tot een gevoel van vergankelijkheid. Misschien dat Vattimo daarom het geloof weer introduceert, als serieuze mogelijkheid om houvast te vinden in een wereld die, vanuit onze perceptie, steeds vergankelijker wordt.

Bakker, J.H., In Stilte: een Filosofie van de Afzondering, Atlas Contact: Amsterdam ,2015. 
Han, B.C., De Vermoeide Samenleving, Uitgeverij van Gennep: Amsterdam, 2014.
Vattimo, G., Ik Geloof Dat Ik Geloof, Boom: Amsterdam, 1998.

Hoofdstuk 2 Zelfverbetering
Essay Authenticiteit en spiritualiteit

‘God is dood en wij hebben hem vermoord’, met dit citaat schreef de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche in de 19e eeuw geschiedenis. De dood van God betekent voor Nietzsche dat wij niet meer kunnen terugvallen op de christelijke normen en waarden die daarvoor de leidraad vormden, maar dat we op zoek moeten naar een moraal die niet meer gebaseerd is op de grondbeginselen van het christendom. De heersende gedachten over goed en kwaad en waarheid kwamen daarmee op losse schroeven te staan. Het citaat betekent in die zin meer een zoektocht naar een nieuwe fundering omtrent de morele waarden dan dat het iets concreets zegt over het bestaan van God.

Lees essay
Essay Authenticiteit is de zin van het leven

Na de toetsen, de groeispurt, het eerste vriendinnetje en loon vroeg Jonas zich af: ‘Waarom leef ik?’ Zoeken deed hem vinden dat dit een vraag is die velen bezighoudt. Men zou kunnen zeggen dat het de vraag van de mens is: Wat is de zin van het leven?

Lees essay
Essay Een kleine revolutie

De zon staat al hoog aan de hemel en werpt met al zijn kracht een genadeloze hitte op het aardoppervlak. Daar, helemaal alleen, verstoken van enige vorm van menselijk contact, aan de voet van de berg die hij al zo vaak gezien en beklommen heeft, waarvan hij elke rots, elke kiezelsteentje, elke oneffenheid kent. Aan de voet van die berg, die het toneel van zijn straf vormt en het instrument van zijn pijn, zien we Sisyphus.

Lees essay
Volgend hoofdstuk
Zelfverbetering



Alle essays en artikelen
Bekijk
Inhoudsoverzicht

Bekijk
Delen op

Facebook
Twitter